De Vikingen: hun landbouwdieren en hun dierlijke voeding

##plugins.themes.bootstrap3.article.main##

Luc A.A. Janssens

Gepubliceerd okt 12, 2015

Samenvatting

De voedingsgewoonten van de Noorse volkeren die Vikingen genoemd worden, kunnen goed bestudeerd en gekarakteriseerd worden aan de hand van archeologische vondsten in Scandinavië en vooral op de door hen gekoloniseerde eilanden en schiereilanden: Faröer, Shetland, IJsland, Groenland en New Foundland. Het voedsel van de vroeg middeleeuwse populaties in Europa verschilde duidelijk van deze van de Noorse populaties in de periode 750 - 1100, en dat verschil was er zowel voor het Scandinavische vasteland, hun kusten, als voor de door hen ingepalmde eilanden. Britten en Europese vastelanders nuttigden nauwelijks mariene proteïnen in deze periode. Voor de Noormannen echter maakte deze eiwitbron een zeer substantieel deel van hun voeding uit. Naast visvangst was het rapen van eieren van zeevogels en de jacht op zeezoogdieren belangrijk. De karige landbouwproductie gebeurde op keuterboerderijtjes met graangewassen (rogge en haver) en voornamelijk rundveeteelt (status symbool). Toch waren er ook andere diersoorten, vooral schaap en geit en in mindere mate het varken. Paard en hond kwamen nog minder voor, net als katten, die zeer zeldzaam waren. De Vikings hadden zelf overschotten, vooral van vis. Dat werd rond 950 een belangrijk exportproduct, voornamelijk naar Zuid-Engeland. Andere exportproducten waren walrusivoor, walrus/eer (voor koorden) en bont. Die werden geruild in andere gebieden voor kleding (uit wol), gepekeld vlees (meestal varken), levend vee of granen. Welkome aanvullingen voor de barre tijden in het noorden.

##plugins.themes.bootstrap3.article.sidebar##