Naar een pluricentrische Algemene Nederlandse Spraakkunst. Het gebruik van productiedata voor de beschrijving van nationale variatie.

##plugins.themes.bootstrap3.article.main##

Arne Dhondt

Timothy Colleman

Johan De Caluwe

Gauthier Delaby

Gepubliceerd nov 6, 2019

Samenvatting

Om van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) een pluricentrische referentiegrammatica te maken is er nood aan systematisch onderzoek naar de verschillende grammaticale normen van de drie nationale standaardvariëteiten van het Nederlands, nl. Belgisch Nederlands (BN), Nederlands Nederlands (NN) en Surinaams Nederlands (SN). Op basis van bestaande methodologieën om grammaticale verschillen tussen standaardvariëteiten te beschrijven, zoals die van Taaladvies.net of de Duitse Variantengrammatik (cf. Dürscheid & Elspaß 2015), komen we tot een aantal vragen over de methodologie die de herziene ANS moet volgen. We gaan in op het gebruik van productiedata om nationale verschillen te beschrijven, met focus op een vaak ingezette frequentiemaat, nl. relatieve tokenfrequentie. Er wordt onderzocht (i) aan de hand van welke criteria kan worden nagegaan of grammaticale varianten al dan niet als equivalenten mogen gelden en (ii) met welke beperkingen rekening moet worden gehouden bij de interpretatie van nationale verschillen in relatieve tokenfrequentie. Verder bespreken we (iii) of er naast productiedata ook evaluatiedata verzameld moeten worden om te bepalen of varianten tot een nationale standaardvariëteit behoren en (iv) welke criteria gehanteerd moeten worden om op basis van productiedata nationale labels toe te kennen aan varianten. Over die vragen reflecteren we aan de hand van literatuuronderzoek en aan de hand van corpusonderzoek voor drie cases van grammaticale variatie tussen BN en NN.

##plugins.themes.bootstrap3.article.sidebar##