'Amis ennemis'? 2 Communautaire spanningen in de socialistische partij 1919-1940. Verdeeldheid. Compromis. Crisis. Eerste deel: 1918-1935

Biografie auteur

Harry Van Velthoven

Harry Van Velthoven (°1944) is emeritus hoogleraar geschiedenis van de Hogeschool Gent. Hij publiceerde over Vlaamse en Waalse beweging, Brusselse taalproblematiek, sociale beweging, liberalisme, natievorming, Waarheen met België? en recentelijk Scheurmakers & Carrièristen. De opstand van christendemocraten en katholieke flaminganten 1890-1914. Hij is sinds 2004 redactieled van WT.

##plugins.themes.bootstrap3.article.main##

Harry Van Velthoven

Gepubliceerd apr 4, 2018

Samenvatting

Na de Eerste Wereldoorlog en de invoering van het enkelvoudig stemrecht voor mannen werd de socialistische partij bijna even groot als de katholieke. De verkiezingen verscherpten de regionale en ideologische asymmetrie. De katholieke partij behield de absolute meerderheid in Vlaanderen, de socialistische verwierf een gelijkaardige positie in Wallonië. Nationaal werden coalitieregeringen noodzakelijk. In de Kamer veroverden zowel de socialisten als de christendemocratische vleugel een machtsbasis, maar tot de regering doordringen bleek veel moeilijker. Die bleven gedomineerd door de conservatieve katholieke vleugel en de liberale partij, met steun van de koning en van de haute finance. Eenmaal het socialistische minimumprogramma uit angst voor een sociale revolutie aanvaard (1918-1921), werden de socialisten nog slechts getolereerd tijdens crisissituaties of als het niet anders kon (1925-1927, 1935-1940). Het verklaart een toenemende frustratie bij Waalse socialisten. Tevens bemoeilijkte hun antiklerikalisme de samenwerking van Vlaamse socialisten met christendemocraten en Vlaamsgezinden, zoals in Antwerpen, en dat gold ook voor de vorming van regeringen.
In de BWP waren de verhoudingen veranderd. De macht lag nu gespreid over vier actoren: de federaties, het partijbestuur, de parlementsfractie en eventueel de ministers. De eenheid was bij momenten ver zoek. In 1919 was het Vlaamse socialisme veel sterker geworden. In Vlaanderen behaalde het 24 zetels (18 meer dan in 1914) en werd het met 25,5% de tweede grootste partij. Bovendien was de dominantie van Gent verschoven naar Antwerpen, dat met zes zetels de vierde grootste federatie van de BWP werd. Het aantrekken van Camille Huysmans als boegbeeld versterkte haar Vlaamsgezind profiel. In een eerste fase moest Huysmans nog de Vlaamse kwestie als een vrije kwestie verdedigen. Zelfs tegen de Gentse en de Kortrijkse federatie in, die de vooroorlogse Vlaamsgezinde hoofdeis – de vernederland-sing van de Gentse universiteit –  hadden losgelaten. Naar 1930 toe, de viering van honderd jaar België, was de Vlaamse beweging opnieuw sterker geworden en werd gevreesd voor de electorale doorbraak van een Vlaams-nationalistische partij. Een globale oplossing voor het Vlaamse probleem begon zich op te dringen. Dat gold ook voor de BWP. Interne tegenstellingen moesten overbrugd worden zodat, gezien de financiële crisis, de sociaaleconomische thema’s alle aandacht konden krijgen. Daarbij stonden de eenheid van België en van de partij voorop. In maart 1929 leidde dit tot het ‘Compromis des Belges’ en een paar maanden later tot het minder bekende en radicalere partijstandpunt, het ‘Compromis des socialistes belges’. Voortbouwend op de vooroorlogse visie van het bestaan van twee volken binnen België, werd dit doorgetrokken tot het recht op culturele autonomie van elk volk, gebaseerd op het principe van regionale eentaligheid, ten koste van de taalminderheden. Voor de Vlaamse socialisten kwam dit neer op een volledige vernederlandsing van Vlaanderen, te beginnen met het onderwijs en de Gentse universiteit. Niet zonder enige tegenzin ging een meerderheid van Waalse socialisten daarmee akkoord. In ruil eisten zij dat in België werd afgezien van elke vorm van verplichte tweetaligheid, gezien als een vorm van Vlaams kolonialisme. Eentalige Walen hadden in Wallonië en in nationale instellingen (leger, centrale besturen) recht op aanwerving en carrière zonder kennis van het Nederlands, zoals ook de kennis ervan als tweede landstaal in Wallonië niet mocht worden opgelegd. De betekenis van dit interne compromis kreeg in de historiografie onvoldoende aandacht. Dat geldt ook voor de vaststelling dat beide nationale arbeidersbewegingen, de BWP vanuit de oppositie, in 1930-1932 mee de invoering van het territorialiteitsbeginsel hebben geforceerd. Een tussentijdse fase C uit het model van Miroslav Hroch.
________

‘Frenemies’? 2
Communitarian tensions in the Socialist Party 1919-1940. Division, Compromise. Crisis. Part One: 1918-1935

After the First World War and the introduction of simple universal male suffrage, the Socialist Party was almost as large as the Catholic Party. Elections sharpened the regional and ideological asymmetry. The Catholic Party maintained an absolute majority in Flanders; the Socialists acquired a similar position in Wallonia. Coalition gov-ernments were a necessity at the national level. In the Chamber, both the Socialists and the Christian Democratic wing of the Catholics had a strong base of power, but entering in the government turned out to be much more difficult. Governments remained dominated by the conservative wing of the Catholic Party and by the Liberal Party, with support from the king and high finance. Once the Socialist minimum program had been accepted out of fear of a social revolution in the years 1918-1921, the Socialists were only tolerated in government during crises or in case there was no other possibility (1925-1927, 1935-1940). This explains an increasing frustration among Walloon Socialists. At the same time, Flemish Socialists’ anticlericalism hindered their cooperation with Christian Democrats and members of the Flemish Movement, as in Antwerp, and that also held true for the forming of national governments.
In the Belgian Workers’ Party (BWP), balance had changed. Power now lay spread among four actors: the federations, the party administration, the parliamentary faction, and sometimes, government ministers. Unity was sometimes hard to find. In 1919 Flemish socialism became much stronger. In Flanders it took 25 seats (18 more than in 1914) and, with 25.5% of the vote, was the second-largest party. In addition, the centre of gravity moved from Ghent to Antwerp, which with six seats became the fourth-largest federation in the BWP. Camille Huysmans’s appeal as the figurehead strengthened its profile with regard to the Flemish Movement. At first, Huysmans had to defend the treatment of the Flemish Question as a matter of individual conscience for party members, even against the Ghent and Kortrijk federations, which had abandoned the foremost pre-war demand of the Flemish Movement, the transformation of the University of Ghent into a Dutch-language institution. As 1930, the centenary of Belgium, approached, the Flemish Movement became stronger once again and an electoral breakthrough by a Flemish nationalist party was feared. An overall solution to the Flemish problem was pressing, also in the BWP. Internal divisions needed to be bridged in order to give full attention to socioeconomic questions, in light of the financial crisis. The unity of Belgium and of the party came first and foremost. In 1929 this led to the ‘Compromis des Belges’ (Compromise of the Belgians) and a few months later to the lesser-known but more radical position of the party, the ‘Compromise of the Belgian Socialists’. Building on the pre-war vision of the existence of two peoples within Belgium, this point of view was imbued with the right of each people to cultural autonomy, based on the principle of regional monolingualism, at the expense of linguistic minorities. For Flemish socialists this came down to a full transformation of Flanders into a Dutch-speaking society, beginning with education and the University of Ghent. The majority of Walloon socialists went along with this, though not without some reluctance. In return, they demanded the elimination of any form of required bilingualism in Belgium, which they saw as a form of Flemish colonialism. In Wallonia and in national institutions (the army, the central administration), monolingual Walloons had a right to be recruited and have a career without a knowledge of Dutch, just as knowledge of Dutch as a second national language was not supposed to be imposed in Wallonia. The significance of this internal compromise has received insufficient attention in the historiography. The same observation applies to the finding that both national workers’ movements – the BWP from the ranks of the opposition – forced the introduction of the principle of territoriality in 1930-1932: an interim phase C of Miroslav Hroch’s model.

##plugins.themes.bootstrap3.article.sidebar##