Het nationale verleden in het Vlaamse geschiedenisonderwijs. Een kleinschalig geschiedenisdidactisch onderzoek bij leerkrachten gechiedenis in 2014

Biografieën auteurs

Bernd Stienaers

Bernd Stienaers (°1984) studeerde in 2006 af als regent Wiskunde-Geschiedenis-Informatica aan de Katholieke Hogeschool Limburg. Na enige jaren werkzaam te zijn geweest in de privé-sector studeerde hij in 2015 af als master in de Geschiedenis.

Karel Van Nieuwenhuyse

Karel Van Nieuwenhuyse (°1975) is als docent geschiedenisdidactiek verbonden aan de Specifieke Lerarenopleiding Geschiedenis van de KU Leuven (faculteit Letteren). Zijn onderzoek inzake geschiedenisonderwijs richt zich op de positie van het heden, het gebruik van bronnen, historische narratieven en hun connectie met identiteitsvorming, en historische representaties van het koloniale verleden.

##plugins.themes.bootstrap3.article.main##

Bernd Stienaers

Karel Van Nieuwenhuyse

Gepubliceerd sep 27, 2017

Samenvatting

Sinds  het  begin  van  de  19de  eeuw  hechten Westerse  regeringen  veel belang aan de rol van  geschiedenisonderricht in de vorming van  een  nationale  identiteit  en  het  streven  naar nationale eenheid. Desondanks propageert de overheid in België sinds de jaren 1960 geen dominant nationaal verhaal (master narrative) meer over het (sub)nationale verleden. Ook in het Vlaamse onderwijs is het nationale verleden slechts marginaal aanwezig. Het referentiekader is er eerder Europees georiënteerd, gericht op het heden en de actuele samenleving. De eindtermen laten aan de geschiedenisleerkrachten grote inhoudelijke vrijheid in hun selectie van lesonderwerpen. De vraag stelt zich hoe geschiedenisleerkrachten het nationale verleden dan representeren in hun lessen, en vanuit welk (heden- of verledengericht) perspectief ze er betekenis aan toekennen. Dit artikel gaat in op een kleinschalig kwalitatief onderzoek naar de verhaalsjablonen die zestien Vlaamse geschiedenisleerkrachten uit de derde graad van het secundair onderwijs hanteerden in het ontwerpen van een lessenreeks over het nationale verleden en naar hun toekenning van betekenis aan gebeurtenissen uit dat verleden. Het doet daarbij een beroep op bestaande theoretische raamwerken, onder meer van James Wertsch. Onderzoek naar hoe verhaalsjablonen door geschiedenisleerkrachten worden gebruikt in hun lessen, werd evenwel vooralsnog niet gevoerd.
Zestien geschiedenisleerkrachten, allen houder van een masterdiploma en minstens drie jaren werkzaam in het onderwijs namen deel aan dit onderzoek. Uit een lijst van dertig historische gebeurtenissen uit het nationale verleden moesten ze individueel de volgens hen tien belangrijkste selecteren. In een daaropvolgend individueel interview werd hun selectiemethode bevraagd. Daaruit bleek dat er geen dominant nationaal master narrative aanwezig was in de hoofden van de participerende leerkrachten. Eerder vertoonden ze een sterke Europese gerichtheid en pasten ze een Europees verhaalsjabloon toe, waarin duidelijk een parallel met de eindtermen herkend kan worden. Verder kenden de participanten op een evenwichtige manier verleden- zowel als hedengericht betekenis toe aan historische personen en gebeurtenissen. Opmerkelijk hierbij was dat ook de deconstructie van de collectieve herinnering diende als bron van historische betekenis, ook al moedigen de eindtermen geschiedenisleerkrachten hiertoe niet aan.
________

The National Past in Flemish History Education. A Small-Scale Historical and Didactic Study among History Teachers in 2014
Since the beginning of the 19th Century, Western governments have attached a lot of importance to the role of history teaching in the formation of a national identity and the struggle for national unity. Nevertheless, since the 1960s the government in Belgium has not propagated a dominant national story, or master narrative, concerning the (sub)national past. The national past is also only marginally present in Flemish education. Rather, the frame of reference there is European-oriented, directed toward the present day and current society. The history standards leave history teachers a large freedom with regard to content in their selection of lesson subjects. The question arises of how history teachers then represent the national past in their lessons, and from which (present- or past-oriented) perspective they impart meaning to them. This article looks at a small-scale qualitative study of both the narrative templates that sixteen Flemish history teachers from the 11th and 12th grade use in the development of a series of lessons about the national past and also of the way in which they impart meaning to events from the past. In doing so, the article draws on existing theoretical frameworks, among others that of James Wertsch. Research into how history teachers used narrative templates in their lessons had not been done before.
Sixteen history teachers, all holders of master’s degrees and having at least three years’ experience working in secondary school education, took part in this study. From a list of thirty historical events from the national past, each participant had to select what were, to them, the ten most important. In subsequent individual interviews they were asked about their selection method. From this, it appears that there was no dominant national master narrative present in the heads of the participating teachers. Instead, they demonstrated a strong European focus and applied a European narrative template, in which a parallel with the learning outcomes is clearly recognizable. In addition, the participants applied past- and present-oriented meanings to historical people and events in a balanced manner. It was noteworthy that the deconstruction of collective memory also served as a source of historical meaning, even if the learning outcomes do not encourage history teachers in this regard.

##plugins.themes.bootstrap3.article.sidebar##