De snelschrijver, oorlog en collaboratie. Traumaverwerking in de 'Nota's voor een Oostakkerse cantate' van Hugo Claus

##plugins.themes.bootstrap3.article.main##

Aragorn Fuhrmann

Gepubliceerd dec 11, 2019

Samenvatting

Deze paper beoogt een nieuw licht te werpen op het vroege literaire werk van Hugo Claus, meer bepaald op De Oostakkerse gedichten (1955). Claus’ canonieke dichtbundel werd tot dusver hoofdzakelijk gelezen vanuit een klassiek structuralistisch paradigma. Dat betekent dat Claus’ gedichten steevast werden losgekoppeld van hun biografische en historische context. In dat verband opteert deze paper voor een alternatieve lezing. Uitgangspunt vormt het oorlogsverleden van de auteur: Claus was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van een nationaalsocialistische jeugdbeweging en groeide op in een milieu van collaborateurs en geradicaliseerde Vlaams-nationalisten. Nadat de schrijver dit verleden eerst probeerde te ontvluchten door naar Parijs te reizen en zich daar expliciet te profileren als een autonome en kosmopolitische kunstenaar, ging hij er vanaf 1952 toch steeds weer de confrontatie mee aan. In de zomer van dat jaar ging Claus gedurende enkele maanden op bezoek bij zijn familie in Lourdes-Oostakker. Tijdens zijn verblijf in het Oost-Vlaamse dorp en bedevaartsoord kwam hij niet alleen opnieuw in aanraking met de financiële en relationele problemen van zijn door de repressie getekende bloedverwanten, hij werd er ook geconfronteerd met een Vlaanderen dat zijn oorlogsverleden nog steeds niet kritisch had verwerkt. Lourdes-Oostakker bleek het decor te vormen van een van de vele ideologisch verre van onschuldige oostfrontherdenkingen die op dat moment op verschillende plekken in Vlaanderen werden georganiseerd. Tegen die achtergrond schreef Claus een eerste versie van zijn Oostakkerse gedichten: een scherpzinnig onderzoek naar de unheimliche parallellen tussen het nationaalsocialisme en het christelijke denken én zijn eerste, poëtische aanklacht tegen het naoorlogse, in rites en mythes verstrikte Vlaanderen.
___________


The rapid-fire writer, war and collaboration. Trauma processing in Hugo Claus’s ‘Nota’s voor een Oostakkerse Cantate’


This paper aims to shed new light on Hugo Claus’s early work, in particular his De Oostakkerse gedichten (1955). Notwithstanding a few exceptions, this work has generally been analysed from a classic structuralist paradigm. Consequently, Claus’s poems have continuously been detached from their biographical and historical contexts. To address this issue, this paper will propose an alternative approach. It will stress the prevalence of Claus’s wartime experiences, when, in a context of collaborating and radicalized Flemish nationalists, he became a member of a National-Socialist youth organisation. After first discarding his wartime upbringing by travelling to Paris and proclaiming to be an autonomous and cosmopolitan artist, Claus would start to confront his past during the summer of 1952, when he visited his family in Lourdes-Oostakker for a couple of months. During this time, Claus would not only encounter destitute family members who were affected by the post-war repression, but also be struck by the fact that Flanders had still not critically addressed its role and involvement in the Second World War. Moreover, Lourdes-Oostakker was one of many sites in Flanders that commemorated those that had fought at the eastern front during the war in a highly partisan manner. It is in these circumstances that Claus would write his initial version of the De Oostakkerse gedichten, constituting an astute examination of the disquieting parallels beween National Socialism and Christian rationale as well as his first, poetical charge against the rites and myths that marked post-war Flanders.

##plugins.themes.bootstrap3.article.sidebar##